
Hartcoherentie is een sterke indicator van het emotionele welzijn.
Bij de term hartslagvariatie kun je al vermoeden dat het hart niet zo
regelmatig klopt als men vaak denkt. Bij bijvoorbeeld 60 slagen per minuut,
is er dus niet elke seconde één slag, maar zitten er afwijkingen
tussen de verschillende slagen. Het versnelt en vertraagt, wat
volstrekt normaal en gezond is. Als de hartslagen met de regelmaat van
een metronoom gaan slaan, dan komen we in de problemen. Dat is namelijk
een sterke indicator dat het einde nabij is, zo blijkt uit onderzoek (Tsuji,
1994, Dekker & Schouten, 1997).
Naast hartslagvariatie bestaat de term hartcoherentie en die heeft betrekking
op de regelmaat binnen de variatie. Hoewel
de variatie van een hartslag groot kan zijn, kan deze tegelijkertijd heel
chaotisch of juist regelmatig zijn. Dat laatste klinkt vreemd, maar ook
in variatie kan een regelmaat zitten. De mate van regelmaat in de hartvariatie
wordt hartcoherentie genoemd. Ons welzijn
is dus gebaat bij een regelmatig en sterk variërend hartslagbeeld.
Mensen die doorgaans gelukkig zijn en zich gewaardeerd voelen, hebben
een hoge hartcoherentie (zie figuur onderste plaatje). Bij negatieve gevoelens,
zoals frustratie, vertoont de hartslag een incoherent beeld (bovenste
plaatje). Het verhogen van deze hartcoherentie leidt
tot een gezonde emotionele balans en tal van (wetenschappelijk
aangetoonde) positieve effecten op de gezondheid.
Hartcoherentie kan goed getraind worden: dat bieden we aan in onze praktijk,
zowel binnen de fysiotherapeutische behandeling als afzonderlijk coachingstraject
met behulp van het Stress
Reductie Programma (SRP) 1
Bel of mail gerust als u vragen heeft of meer informatie hierover wenst.
Referenties
Dekker J, Schouten E (1997) – “Heart rate variability from
short term electrocardiographic recordings predicts mortality from all
causes in middle-aged and elderly men” The Zutphen Study, American
Journal of Epidemiology, vol. 145(10), pp. 899-908
Tsuji H, Venditti F (1994) - “Reduced heart rate variability and
mortality risk in an elderly cohort”. The Framingham Heart Study
– Circulation, vol. 90(2), pp. 878-883
